In een klein, donkerblauw doosje werd hij gestopt direct na zijn geboorte. Van tevoren nog even flink schoon gepoetst en toen was er, nadat ‘ie op een warm watten bedje was gelegd, ineens een harde knal. De verwachtingsvolle glans was er wat vanaf gegaan, die eerste minuten in het donker. Dit was niet helemaal hoe hij het voor zich had gezien. Zou er in dat kleine doosje een knagend gevoel van onbehagen opgekomen zijn, toen het – na een korte hobbelige fietstocht door een drukke stad (het zenuwachtige gerinkel van trams en gezoef van langsrazende taxi’s was duidelijk te horen) – wekenlang ongeopend bleef liggen? Of misschien zelfs nog erger: waren er angstdromen over vergeten worden in afgetakelde, doffe toestand?
Hij kreeg een glinstertje hoop toen hij ruw werd gewekt tijdens één van z’n vele dagelijkse hazeslaapjes. Donker was het nog steeds, maar er bewoog wel iets. Nog beter, híj werd bewogen! Maar de hoog opgelaaide opwinding veranderde snel in bittere teleurstelling. Wéér gebeurde er dagenlang niks, al waren er wel een paar uren dat hij stil leek te liggen en toch ook weer niet. Ergens was het wel rustgevend, alsof hij zachtjes heen en weer werd gewiegd. Jammer dat dat onrustige gevoel zo dominant aanwezig was. Hij probeerde echt positief te blijven, maar durfde eigenlijk bijna niet meer te geloven dat hij ooit nog zonlicht zou zien en z’n werk zou mogen doen.
Het was een geluk dat de zon niet zo vaak schijnt in dat land waar het kleine vierkante doosje ineens openvloog. Na al die weken in het donker, had hij nogal wat moeite met het wennen aan het daglicht. Het was er allemaal wat ruw aan toe gegaan; degeen die het doosje had geopend was duidelijk wat gespannen geweest. Na een korte vraag volgde er een hoge gil en tot slot riep iemand heel zachtjes ‘ja!’ en zat hij ineens om een warme vinger. Toen hij eindelijk een beetje gewend was aan het felle licht, keek hij midden in twee blauwe betraande ogen die hem vol ongeloof aanstaarden.
Tot nu toe heeft ‘ie een heerlijk leven gehad. De eerste weken om die vinger is hij door heel veel mensen bekeken, die hem duidelijk allemaal nogal mooi en bijzonder vonden. Een tijdje later werd diezelfde vraag weer gesteld, was het antwoord weer ja en waren en weer die tranen. Dat er ineens een zusje bij kwam aan een andere vinger was wel even schrikken, maar nu zijn ze dikke vrienden. Van die ene vinger gaat hij bijna nooit meer af. Heel soms zijn er nu kleine plakkerige vingertjes waar hij ineens wat onhandig omheen wordt geduwd, maar dat duurt nooit lang. Maar goed ook, want die vingertjes proberen hem het liefst ergens tussen te frommelen waar die grote vinger hem nooit meer uitkrijgt.
En dat kleine donkerblauwe doosje? Nooit meer gezien!