Inloggen (e-mail/wachtwoord)

7.1 Blokkarakterisering

Geplaatst op: 12-04-2020
door: Wanda Straatman
woordenjutter

Op een bankje aan het pad door de duinen zit een man, zoals elke ochtend om deze tijd. Alles aan hem is zandkleurig, van zijn dunne, grijsblonde haar tot zijn beige sandalen. Zoals gewoonlijk had hij even getwijfeld of hij de deur uit zou gaan. Hij zag op tegen de weg naar de duinen, bang om iemand tegen te komen die een praatje zou willen maken. Maar zoals altijd had hij zichzelf toegesproken. ‘Vooruit, Bert’, had hij gezegd, ‘je komt toch zelden mensen tegen om deze tijd en daarvoor zou je jezelf die wandeling ontzeggen?’ Zijn vrouw noemde hem nooit Bert. Dat vond ze te afgemeten. Ze noemde hem liever Bertie. Dat duurde wat langer, je kon de klank even vasthouden wat hem iets meer tijd gaf om te reageren. Aan zulke kleine dingen kon hij merken hoe goed ze hem kende.

 

Ze zag hem binnenkomen, nog steeds een knappe man met een dikke bos golvend wit, achterover gekamd haar. Hij gooide zijn jas over de kapstok en kwam met open armen naar haar toe. Ze verstarde in zijn omhelzing, maar hij deed alsof hij dat niet merkte.
‘Wat zie je er mooi uit!’
Dat was haar vader ten voeten uit. Hij had een plaatje in zijn hoofd gemaakt van de avond en daar zou hij aan vasthouden, ook al was de werkelijkheid volstrekt anders. Ze had met opzet geen enkele moeite gedaan en droeg haar gebruikelijke jeans met een coltrui. Maar hij zat haar met een brede glimlach op te nemen alsof hij blij verrast was.

 

Hij viel me direct op. Niet omdat hij er zo bijzonder opvallend uitzag, maar omdat hij geen deel leek uit te maken van het geheel. Hij leek volledig op te gaan in het boek dat hij in zijn hand hield. Om hem heen was reuring en er werd druk gepraat, maar hij zat onbeweeglijk aan het tafeltje zonder oog voor zijn omgeving, als een kleine oase, een eilandje in de oceaan. Een stil, onbewoond eiland. Hij droeg een donkerbruine winterjas die openhing en om zijn nek hing een beigekleurige sjaal. Zijn broek was lichtgrijs met daaronder bruine schoenen, niet nieuw maar glimmend gepoetst. Zijn donkere haar was achterover gekamd en hij droeg een bril met een zwaar montuur. Zo nu en dan verzette hij de bril op zijn neus. Naast het omslaan van de bladzijden was dit de enige beweging die hij maakte.

 

Als ze de deur achter zich dicht trekt, is ze al weer vergeten wat daar achter ligt. Haar gedachten snellen vooruit, sneller dan haar voeten en ze struikelt over een losse steen, kan zich nog net overeind houden en staat even stil. Ze kijkt naar haar voeten in de grote veelkleurige gympen alsof ze niet bij haar horen, haar remmen in haar vaart vooruit. Met een driftige beweging haalt ze een hand door haar korte haar, ze slaat de kraag van haar leren jack op en steekt haar arm door band van de versleten rugzak die nog over één schouder hing. Ze heeft haast, ze heeft altijd haast. Ze rent door haar leven alsof ze geen tijd te verliezen heeft, alsof ze met haar 40 jaar al aan de eindspurt begonnen is.


Reageer (0)