Inloggen (e-mail/wachtwoord)

de Reis van de Heldinnen

Geplaatst op: 19-05-2012
door: An Kramer
schrijfgenoot

In 24 uur alle fasen doorlopen.


'Zijn jullie wakker', roept Sanny. Kreunend duik ik met mijn hoofd de slaapzak in. 'Dit kan niet, ik slaap echt pas net', wil ik roepen, maar ik blijf liever verborgen in de warme slaapzak.


Waarom heb ik ook ja gezegd toen Christel met het idee kwam. Waarom reageer ik trouwens altijd zo enthousiast op onzinnige plannen? Of was ik zelf degene die kamperen riep? Tijdens de bijeenkomst in het Tropenmuseum kwam iemand met het idee. We gaan in de buurt slapen, dan hoeven we niet zo vroeg op voor het dauwtrappen en de haikuworkshop van Nanda. Ik weet echt niet meer wie dit bedacht; de expositiebeelden van de skyburial zijn beter blijven hangen. Dood, dat zou ik nu liever willen dan de kou in.


'An, ben je wakker', herhaalt Sanny. De oproep tot avontuur, onmiskenbaar. Ja dahag. Ik wil helemaal geen avontuur en nog minder de kou in. Er zit vast nog ijs op de tent. Net als vanmorgen vroeg toen ik, na een half uur dralend wakker liggen, uiteindelijk de tent uit durfde om te plassen. In de laaghangende mist, rijp krakend onder mijn bergschoenen, en een vogelochtendconcert in mijn oren. Sprookjesachtig mooi, alleen werd ik daarna niet meer warm in de donzen slaapzak die min tien zou moeten aankunnen.


Zes punt negentien zegt mijn telefoon. Terwijl de sjaal om mijn nek losschiet, wurm ik me uit de slaapzak, trek mijn fleece stevig om me heen en de cappucchon weer op mijn hoofd. Zo snel als mijn koude handen toelaten kleed ik me aan. Alsof haast vandaag zal helpen, maar dat weet ik dan nog niet.


De anderen zijn al op, zie ik, als ik mijn hoofd uit de tent steek. Christel heeft een ijspegel aan haar neus hangen, de haren van Lia zijn van de rijp witter dan blond, en Sanny's vingers zijn vastgevroren aan de rits van haar jas. We moeten opschieten zegt iemand en voor ik het weet staan we naast elkaar onze tanden te poetsen. Zelfs zo ijselijk vroeg gaat de tijd te snel. Die zou ons nu wel wat vriendelijker gezind mogen zijn. Weet hij wel dat het half mei is en vriest en dat we hier op een camping langs de snelweg in nota bene Bunnik staan? Dat ons kampeerveldje echt het Teletubbieveld heet en dat we de enige tenten zijn tussen honderden caravans? Dat er hier vanavond een totaal verzorgde barbecue is, dat de douche warm water schijnt te geven op muntjes van vijftig eurocent, en dat we juist nu daar minstens een uur onder zouden willen staan, voor wel tien muntstukken? Dat er een struisvogel tussen de geitjes in de dierenwei loopt? En dat ik nu ook graag mijn kop in niet bevroren grond zou willen stoppen?


'An, het is al tien voor zeven, dus zullen we met jouw auto gaan, dan zijn we nog net op tijd.' Nadat ik het ijs van de ruiten heb gekrabt, schamp ik bij het achteruit draaien de auto naast me en rijd vervolgens bijna een konijn aan, voor we bij de slagboom stil staan. Stiller dan stil is het om ons heen. De slagboom blijft ook stil. Het pasje geeft geen beweging, ook al houden we het voor de zender aan beide kantenvan de slagboom. Deze selectiedrempel blijft dicht, potdicht. Lia doet nog een poging het ding met de hand omhoog te krijgen, Christel stelt voor er dwarsdoorheen scheurend een politieachtervolging zonder politie van te maken, Sanny sms't Nanda dat we vast staan en ik rij de auto terug naar het parkeerterrein bij ons Teletubbieveld.


Twee eenden in ganzenpas op het pad groeten ons. We groeten niet terug. We lachen ze uit. De één heeft een belachelijk lange nek en ze lopen te dicht achter elkaar. Of zouden zij onze mentor zijn? We snappen hun goedbedoelde gekwaak niet.


Het is tien over zeven als we langs de A12 lopen terwijl de zon een stralende dag belooft. Koud en wel verzinnen we alvast haiku's over snelwegen en aanzwellend autogeronk. De nieuwe wereld is een grijs lint aan onze rechterhand, van ons afgescheiden door een brede berm en stevige vangrails.


In de verte zien we een benzinestation liggen. We fantaseren over warme thee of koffie en opwekkende cola. Hoe dichterbij we komen, des te aanlokkelijker. We zijn nu toch al veel te laat. Christel loopt vastberaden door een prachtige rode poort het Essoterrein op. Aarzelend volgen we. Deze poort vormt deel van de Limes, de grens van het Romeinse rijk, ziet ze dat niet? We speuren naar vijandelijke troepen, de kust lijkt veilig en herademend betreden we de nieuwe Benzinestationwereld.


Met onze ellebogen hangend op de 'bar' warmen we onze handen aan kartonnen koffie- en theebekertjes. En Christel aan haar tweede cola van de dag.


'Zijn jullie met vakantie', klinkt het monter naast ons. De man die net als een oude bekende goedemorgen roepend binnenkwam, sluit zich bij ons aan. Zijn fris oranje ANWB-vest bedekt een smoezelige dikke jas. Zou dit dan eindelijk onze mentor zijn? Of waren dat toch die eenden, en moeten we alert onze beproeving aangaan? De warme koffie maakt ons loom en goedmoedig vertellen we over onze koude nacht en dat we aan het dauwtrappen zijn. De haiku's die ons wachten laten we weg, het is al verwarrend genoeg.  Als echte mentor biedt hij aan om ons de volgende nacht te komen verwarmen. Het oude stel naast ons, dat hun vrienden hier ontmoet, om een gezellig lang Hemelvaartweekend in te gaan, mengt zich in het gesprek. We horen een verhaal over tippelende Keessie uit Breukelen. Onze vulgaire toespelingen komen niet aan, dit zijn mensen uit de nieuwe wereld die ons inwijden. Waarin, dat weten we nog niet.


We vervolgen onze reis. De zon wordt warmer en wij wakkerder. We zijn er bijna.   Inderdaad zien we het prachtige bos al liggen. En de veldkeuken is zo gevonden. 'Eind goed al goed' zeg ik, als we binnenstappen en ik tegen een kleine stevige vrouw opbots.  'Wij hebben deze ruimte helemaal voor onszelf gereserveerd', roept ze terwijl ze me hardhandig vastpakt en naar achter duwt. 'Wij komen schrijven', roep ik boos, 'weet je wel hoelang wij al onderweg zijn en wat voor ontberingen...'. Ik leg mijn handen op haar schouders en gooi mijn volle gewicht tegen haar aan, ik ben lekker toch langer. Ze struikelt en valt naar achter, herstelt zich en grijpt naar mijn arm die ze met een snelle beweging op mijn rug draait. Maar ze had niet op Lia gerekend die een schaaltje boter in haar neus duwt. Sanny springt naar voren om te helpen als één van de andere bezoekers zich in het gevecht mengt. Croissantjes vliegen door de lucht, plakken kaas belanden op benen en billen. Sinaasappelsap druipt van de muren en onze haren. Gehijg, gegrom en gegil vult de prille ochtendlucht. Net als Nanda en de rest van de groep binnenkomt van hun wandeling, pak ik een ei uit de schaal en werp dat met een ferm gebaar precies in haar richting. 'Hai Ku' roep ik, en gelukkig begrijpt ze de poëtische betekenis direct en duikt weg, zodat het zachtgekookte ei uiteenspat tegen de muur.


Hoe alle etenswaar en mensen ontrafelend raken, weet ik niet meer. Warm heb ik het wel als ik uiteindelijk de jam van mijn knieën lik. Alleen zie ik Sanny wel heel stil en met een rare knik in haar nek liggen, daar tegen die tafelpoot. Lia is opgekrabbeld en Christel kruipt naar ons toe. Met zijn drieën zitten we om Sanny heen. Ik wil nog grappen 'nu mag je wakker worden, het is wederopstandingstijd', maar dat lijkt zelfs mij ongepast. Lia buigt naar voren en als een volleerd verpleegster controleert ze de ademhaling van Sanny. Ze kijkt me niet aan. Christel is inmiddels verdwenen en ik heb dat niet eens gemerkt. Voorzichtig halen we Sanny uit de kreukels en ik schuif een croissantje onder haar hoofd.


Net als we de eerste herinneringen ophalen over haar mooie verhalen en dat ze altijd dacht dat ze te weinig schreef of te saai, en dat ze liever niet voorlas wat ze net geschreven had, komt Christel terug met een schaal in haar handen. Verbaasd kijk ik haar aan. Een penetrante bosbessenlucht drijft mijn neus in. Ik denk dat het de jam in mijn haar is, maar die is van aardbeien. Christel haalt de legergroene spork die ze speciaal voor ons avontuur gekocht heeft uit haar jaszak, stopt deze in de schaal en brengt de lepel naar de mond van Sanny. We houden onze adem in als de lepel met de grijsbruine substantie erop haar lippen raakt, en onze monden vallen open als we zien dat haar lippen wijken en ze 'mmmm' zeggend een hap neemt van de vier jaar over houdbaarheidsdatum muesli met bosbessensmaak die Christel gelukkig op het laatste moment naast het opvouwbare afwasteiltje ingepakt had. 


 



Reageer (3)